Joseph Eduard Adolf Spier

Jo Spier wordt op 26 juni 1900 geboren in Zutphen als eerste zoon van de winkelier Isedore en zijn vrouw Seline Spier. Jo’s ouders zijn liberaal-joods, net als zijn voorvaderen destijds. Op 74-jarige leeftijd zal Jo zijn geloofsovertuiging zo beschrijven:
‘Ik geloof dat er een grote elektrische centrale is met een heleboel stopcontacten, sommige met een kruis, andere met een Davidsschild en een halve maan. De moeilijkheid is om een stopcontact te vinden waar je stekker in past. Ik ben er nooit in geslaagd om een stopcontact te vinden waar mijn stekker goed in paste, maar ik geloof in de elektrische centrale waar de stroom voor ons allemaal vandaan komt.’

Jo Spier blijkt al snel het gevoel voor kunst van zijn vader te hebben geërfd. Van zijn tijd als kleuter is een opvallend goed lijkend portret van zijn grootvader Joseph bekend. Ook op school gaat het de jonge kunstenaar goed af, na de lagere school wordt hij bevorderd tot het gymnasium. Tekenen is uiteraard Jo’s beste vak. Op 17-jarige leeftijd brengt Jo Spier zijn eerste gedrukte tekening uit, in het clubblad van de Zutphense voetbalvereniging onder het motto ‘Waar het hart vol van is…’. Een jaar later slaagt hij met grootste moeite voor zijn eindexamen, waarna hij overweegt medicijnen te gaan studeren maar uiteindelijk toch voor het illustreren kiest en naar Amsterdam verhuist. Ter voorbereiding op de Academie voor Beeldende Kunsten neemt Jo Spier tekenlessen bij Klaas van Leeuwen. Met succes, want hij slaagt voor zijn toelatingsexamen van de academie. Voordat de jonge kunstenaar de Academie voor Beeldende Kunsten mag betreden, dient de militaire dienst zich echter aan. Enkele avondcursussen die vanuit de academie georganiseerd zijn komen hem op dat moment wel goed van pas. In 1921 keert Jo als sergeant terug in Amsterdam, waar hij zijn artistieke gevoel eindelijk kan ontplooien aan de academie, onder leiding van de illustrator Johannes Jurres.

Jo’s eerste opdrachtgever is gevestigd in Frankrijk. In 1923 wendt Spier zich met grootse verwachtingen naar een privé-instituut in Montmartre. Het instituut is een teleurstelling, hij blijft er dan ook maar 1 jaar, maar wel raakt hij hierdoor in contact met Sam Leoni, een Nederlandse diamanthandelaar die correspondeert voor het Algemeen Dagblad en het Franse wielertijdschrift Rémo. Na een aantal koppen koffie met deze correspondent te hebben gedronken, krijgt Jo van hem uiteindelijk de opdracht eens een tekeningetje van een Franse wielerkampioen te tekenen na een belangrijke wedstrijd. Als Spier dit goed doet, lukt het Sam Leoni waarschijnlijk wel om de illustratie aan Rémo te verkopen. Het gaat volgens plan en Rémo neemt de afbeelding dankbaar aan, maar al snel blijkt dat Spier de verkeerde persoon heeft getekend, namelijk de hoofdredacteur van l’Auto. Deze hoofdredacteur is zeker niet ontevreden over zijn portret en neemt Spier graag in dienst bij het aan l’Auto gelieerde blad ‘Sporting’. Het is Jo’s intrede in het journalistieke tekenwerk.

In mei 1924 keert Spier alweer terug naar Nederland. Direct stuurt hij een spotprentje naar ‘De Telegraaf’, in de hoop ook daar te worden aangenomen. De tekening, met de titel ‘Waarom Jantje niet meer in Sinterklaas gelooft’, is alweer een succes en al snel wordt Spier voor een maand werk gevraagd door de krant. Die ene maand groeit uiteindelijk uit tot ruim 15 jaar. In 1925 treed Jo in het huwelijk met de zionistische Albertine van Raalte, kortweg Tineke. Tineke’s vader is chemicus en voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond en haar moeder is, overigens niet met zekerheid te zeggen, huisvrouw. Twee jaar later al krijgen ze hun eerste kind, Peter Spier. Met tussenpozen van twee jaar volgen daarop Céline en Tom.

Spier ten tijde van zijn mobilisatieOok buiten huiselijke kringen lijkt Jo’s succes geen grenzen te kennen, in 1929 verschijnt er voor het eerst een boek met Spier’s tekeningen. Een eigen bundel is het nog niet, die verschijnt pas in 1930 onder de naam ‘Amsterdam zwart op wit’, maar met de reportages van Johan Luger erboven is de pers ook al erg onder de indruk van Jo’s talent. Het ‘Maandblad voor Beeldende Kunst weidt er elf pagina’s aan. Diverse bundels later stijgt Jo’s populariteit nog steeds. Een onverwachtse tegenslag breekt Jo vanaf 1940 echter erg op: de Tweede Wereldoorlog begint ook in Nederland. Daarvoor is Spier gemobiliseerd geweest, maar dat heeft helaas niet geholpen.

Per 1 augustus 1940 worden alle Joodse journalisten uit de kranten geweerd. Op verzoek van de directie van de Telegraaf laat Jo voortaan zijn karakteristieke signatuur weg. Maar dat is niet genoeg, want op 22 oktober krijgt de krant van hogere hand te horen dat ook tekeningen van de joodse Jo Spier verboden zijn. Telegraaf-directeur Holdert wil Spier’s salaris blijven doorbetalen, maar dit is slechts een schrale troost.
Tot Jo’s genoegen blijken zijn tekeningen toch wel populair bij nazi’s en NSB-ers: van NSB-leider Anton Mussert krijgt hij na aanleiding van een tekening die hij bij een kunsthandel gekocht heeft (het is ook mogelijk dat Spier deze geschonken heeft) een bos bloemen toegestuurd. Jo’s bedankbrief luidt:
‘Nu is het mijn beurt om u beiden zeer zeer hartelijk te bedanken voor de ongelooflijk mooie bloemen die wij vandaag van u mochten ontvangen. Het zijn namelijk de mooiste bloemen die ik ooit van mijn leven gezien heb. Mijn vrouw en ik waren helemaal enthousiast toen we ze uitpakten. Ik vond het buitengewoon prettig dat de tekening met de boerderij in uw smaak is gevallen.’ Een goed contact tussen Jo Spier en Anton Mussert resteert, en dat brengt Mussert uiteindelijk op het idee om Spier met zijn familie toe te laten voegen aan de ‘lijst-Frederiks’. Nadat Spier eerst zijn straf, die de aanleiding is van een spotprent van Hitler uit 1939, in Westerbork uitzit wordt hij in maart 1943 samen met 7 anderen ondergebracht in ‘Villa Bouchina’, waar zijn vrouw en kinderen al sinds 27 februari 1943 zitten. Een uitnodiging van secretaris-generaal Frederiks voor de familie Spier is bewaard gebleven:
‘Ik heb de eer u hierbij te bevestigen dat uw echtgenoot, Jo Spier, staat vermeld op de lijst van joden, die vanwege de Duitse autoriteiten in aanmerking zijn gebracht voor onderbrenging te Doetinchem.’
Het verblijf in Villa Bouchina is maar voor korte tijd. Op 17 april 1943 wordt Jo samen met 2 andere bewoners opgeroepen om naar de Zentralstelle für Judische Auswanderung in Amsterdam te komen, alwaar ze te horen krijgen dat de villa op woensdag 21 april zal worden ontruimd en de bewoners naar Theresienstadt gestuurd worden. Vanuit Amsterdam belt Jo Spier naar Doetinchem om droevige nieuw mede te delen. Tineke neemt op. Spanjaard schrijft hier later over in zijn memoires:
‘Voor alle mogelijke eventualiteiten bleef ik vlak bij het toestel dicht bij haar, maar deze voorzorg bleek overbodig. Uit alles bleek, dat de heer Spier zijn zenuwen niet de baas kon blijven en weer was het mevrouw Tineke, die zichzelf volkomen wist te beheersen. Met stoïcijnse kalmte nam zij de mededeling op en stak onmiddellijk van wal met troostwoorden en woorden van bemoediging. Zelfs zag zij de kans hem lachend toe te spreken.’
En Tineke zal de laatste dagen van het verblijf in Doetinchem ook de sterkste blijven, aldus Spanjaard:
‘Klein maar dapper. Elke tegenslag, hoe groot ook, wist zij met mannenmoed te dragen, altijd opgewekt en vrolijk, steeds een bemoedigend woord voor hen, die in de put zaten. Zelfs toen de jobstijding kwam van het vertrek naar Theresienstadt, was zij het, die allen moed insprak, die het hoofd omhoog hield, niet bij de pakken neerzat. Toen het noodlot zijn klauwen naar de inwonenden uitstak, overzag zij de toestand en wist te doen wat nodig was. Zo werd al gauw de wastobbe in de keuken klaar gezet en trof ik haar het goed van man en kinderen wassende. Toen ik enigszins weemoedig bij haar stond, zeide zij op opgewekte toon: een mooie vertoning, mooie vertoning, morgen gedeporteerd en nu aan de wastobbe, ik hoop er nog eens over te kunnen lachen. Dat was mevrouw Tineke in haar volle fleur. Geen werk was haar te veel, geen tegenslag of teleurstelling te groot, niets kon haar ter neer slaan…’

Met behulp van Jo’s oude kennis Muiderman, die normaal alleen kopij versleept maar ditmaal 9 joden met zijn sleperswagen naar Amsterdam brengt, belanden de NSB-joden op woensdag om 7 uur ‘s ochtends voor de Hollandsche Schouwburg. In zogenaamde ‘derdeklascoupés’ worden de acht bewoners van Villa Bouchina samen met 349 mensen naar Tsjecho-Slowakije vervoerd. In Theresienstadt wacht de meesten van hen zwaar werk. In Theresienstadt maakt Jo vanaf 28 april kennis met de realiteit. Hoewel het kamp, dat bedoeld is voor Joden met een speciale status, nog niks is bij Auschwitz en Sobibor, zijn er in het najaar van 1942 gemiddeld 131 mensen per dag gestorven door uitputting of dergelijke.

Tineke wordt tewerkgesteld in een micafabriek, alwaar zij met flinterdunne mesjes mica moet splitsen en Peter moet in een keramische werkplaats het vuur aanhouden. Jo zelf beland in de ‘Kunstgewerbe’, een werkplaats voor onder anderen het tekenen van kerstkaarten en het restaureren van door de SS gestolen kunst. In de tussentijd moet iedereen rekening houden met een mogelijk transport naar Auschwitz. Al snel krijgt Jo Spier een functie in de Kunstgewerbe. De ‘Werkstattleiter’ wordt gedeporteerd en het is de bedoeling dat Spier hem opvolgt. Het lukt Jo niet om eronderuit te komen, ‘Befehl ist Befehl’. Met zijn nieuwe functie krijgt Jo wel een nieuw onderdak, het huis van de Werkstatte, op nummer Q 209. Als we zijn zoon Peter mogen geloven stelde het niet veel voor: Een huisje met 1 kamertje, een vier meter lange hal een en badkamer zonder water.

Data zijn niet bekend, maar op een gegeven moment wordt Jo door de Hauptsturmführer van Theresienstadt aangesproken. ‘Hebt u de tekeningen in het kinderziekenhuis van Westerbork gemaakt? Die zijn me bevallen, uw vader is nog in Westerbork en die zal ik naar Theresienstadt sturen.’ Een half jaar later maakt de man eindelijk zijn belofte waar:
‘Een ellendig transport van half verhongerde mensen in veewagens.’ aldus Spier ‘Op transportlijst kwam de naam Spier voor. Mijn vrouw en ik gingen naar de trein. De “Spier” was mijn vader. De laatste keer dat ik hem gezien had, was in Amsterdam. Toen was het een keurige oude heer in een grijs pak. Nu was hij een bedelaar in lompen met vuile papieren verbanden om z’n hoofd en om z’n handen. Mijn vrouw zij: daar gaat vader. Ik wou haar niet geloven.’ Zonder quarantaine mogen Jo en Tineke de versomberde man meenemen naar de door hun bezette Werkstatte Q 209, alwaar hij gewassen wordt en zijn verband wordt ververst. Ondanks de vlooien en wandluizen luidt de eerste vraag van de oude Isodore: ‘Ben ik in de hemel?’ Jo Spier bedankt de Hauptsturmführer vervolgens vriendelijk waarop het antwoord ‘Dan heb ik tenminste één keer in mijn leven iets fatsoenlijks gedaan’ volgt.

In Theresienstadt krijgt Jo enkele functies die hem niet bepaald geliefd maken bij andere gevangenen. Zo wordt de illustrator maarliefst twee keer opgedragen zijn medegevangenen toe te spreken: éénmaal over de schoonmaak (in verband met de komst van Rode Kruis-medewerkers) en éénmaal over antwoorden op vragen van het Rode Kruis. Zijn toespraak klonk fel, dat is zeker. Zo heeft de zeventienjarige Ab Caransa er een levenslange haat voor Spier aan opgelopen: de dreigende woorden van de Joodse illustrator worden geinterpeteerd als die van iemand die blindelings Duitse orders volgt. De historicus George Berkley schrijft in zijn boek ‘Theresienstadt’ zelfs dat ‘hij zelf bijna als een nazi klonk’. Volgens Spier zelf is hij door de Duitsers met de dood bedreigd voor deze taak.
Maar dat was niet zijn enige afschrikwekkende functie: Vermoedelijk op verzoek tekent hij vanuit het kamp maarliefst 322 scènetekeningen voor de Duitse propagandafilm Theresienstadt: Ein Dokumentarfilm aus dem jüdischen Siedlungsgebiet (in de rechter zijlijn van deze pagina te bekijken) over de concentratiekampen van de Duitsers. Door naoorlogse studies wordt gesuggereerd, ondanks besloten tegenspreken van Spier, dat de illustrator actief aan de film meewerkt.

Spier’s reclame-illustratie voor de KLMOp 20 april 1945 wordt Theresienstadt bevrijd. De oorlog is voor Jo echter nog niet voorbij: In juni 1945 wordt hij door de Tsjechen gearresteerd wegens betrokkenheid bij de holocaust. Maar de beschuldigingen houden geen stand en in juli wordt hij, na diepgaand onderzoek, vrijgelaten. De geruchten dat hij sterk met de nazi’s bevriend is geweest blijven hem echter wel achtervolgen en dat wordt zo erg dat hij in 1950 met zijn gezin naar Amerika vlucht. Eerst neemt hij alleen zijn oudste zoon Peter en zijn Cadillac mee, maar wanneer hij daar een goede uitgever heeft gevonden laat hij ook de rest van zijn gezin overkomen. Over de oorlog en Jo’s functie daarin wordt door de familie niet meer in het openbaar gesproken, uit angst voor nog meer woede onder de Nederlanders. Kort voor zijn dood besluit Jo toch zijn verhaal te vertellen. In 1978 komt zijn bundel ‘Dat alles heeft mijn oog gezien’, over zijn ervaring met kamp Theresienstadt, uit onder beheer van de uitgever Nijgh & Van Ditmar. In datzelfde jaar, namelijk op 21 mei, sterft hij bij een bezoek aan zijn zoon Tom in Santa Fé. In die plaats wordt hij op een klein kerkhof begraven.