Joodse Tehuizen Barneveld en De Biezen

Garantie_PlanFrederiks_kleinDe ‘grote broers’ van Villa Bouchina waren te vinden in de Gelderse stad Barneveld. Kasteel ‘De Schaffelaar’ en werkverschaffingkamp ‘De Biezen’ dienden in de Tweede Wereldoorlog om ongeveer 650 bevoorrechte joden, niet zozeer met het nazisme betrokken als de Mussert-joden uit Doetinchem maar wel bevoorrecht door bijvoorbeeld in de Eerste Wereldoorlog voor Duitsland mee te vechten, te beschermen tegen deportatie naar een concentratiekamp als Auschwitz of Sobibor.

In totaal telde ‘Joods Tehuis Barneveld’ (De Schaffelaar) in september 1943 468 bewoners, en waren in Joods Tehuis De Biezen in die maand 183 joden geïnterneerd. Die aantallen zijn door sterfgevallen en geboorten in de tehuizen diverse keren veranderd. Huize de Biezen stond oorspronkelijk in Ede, maar de burgemeester van Ede, Theodorus Dierendonck was zeer nazistisch en weigerde mee te werken aan plan-Frederiks. Zodoende werd de grens iets verlegd, waardoor De Biezen in Barneveld – waarvan burgemeester Joachim Westrik veel progressiever was – kwam te staan. De Barneveldse huizen stonden onder leiding van een Nederlandse commandant, een oud-officier en 6 controleurs/bewakers. De directeur van de kampen in Barneveld was dezelfde als die van Villa Bouchina, Eduard Wolthuis, De Schaffelaar en De Biezen hadden bovendien een adjunct-directeur, H.L.L. Reints. Al deze mensen werden voor hun werk niet betaald door het ministerie van Binnenlandse Zaken, maar kregen loon uit het geld dat de joden die vanaf 17 december 1942 Barneveld betraden, moesten inleveren. In totaal bedroeg dat ƒ58.000 (tegenwoordig zo’n €16.300). Toen dit geld begin ’43 op was (alle kosten die er nodig waren om de gevangenen in Barneveld onder te brengen werden ermee betaald) werden de overige bedragen geput uit de Joodse vermogens die bij de nazibank Lippmann-Rosenthal waren achtergelaten. De meubels die in de panden te vinden waren, waren afkomstig van de huisraad van de bewoners zelf.

De verhalen die over de Barneveldse kampen verteld worden, variëren en spreken elkaar soms zelfs tegen. Zo vertelde een – toen 13-jarige – gevangene in ‘De Groene Amsterdammer’:
‘Er waren grammofoonconcerten, dat was heerlijk. Er waren wedstrijden waarbij je moest raden wat er gespeeld werd. Er heerste een redelijk goede sfeer. De mensen zetten zelfs een beetje de bloemen buiten. Allerlei paren verwisselden van partner. Er was ook niet veel anders te doen. Het was echt een beetje een vrolijke boel. Ik had weliswaar niet het vriendje dat ik wilde hebben, ik had een noodvriendje.’

En een destijds 18-jarige vrouw beschrijft, eveneens in ‘De Groene Amsterdammer’, hoe afschuwelijk het was:
‘Iedereen die zegt: “Ik was er zo gelukkig” is kortzichtig en dom. Je was door de moffen geïnterneerd en het was beangstigend en bedreigend. Een gevangenis met een roze randje is ook een gevangenis. Je leefde in doodsangst voor familieleden en vrienden en op termijn voor jezelf.’

Er was een verschil tussen de gevangen van De Schaffelaar en De Biezen. ‘In De Biezen’, zegt een van de drie bovengenoemde bewoners, ‘zaten niet van die ontzettend belangrijke, verwende intellectuelen als in De Schaffelaar. Er waren genoeg mensen die door de elite niet als elite werden gezien. De kak die sommige mensen onder die omstandigheden wilden volhouden, vond ik weerzinwekkend. Het ridicule van hun houding: het spreekt eigenlijk vanzelf dat we hier zitten.’ ‘De elite in het kasteel keek vol afschuw naar De Biezen’, vertelt een andere bewoner. ‘Zij voelden zich de beste Barnevelders. Ik geloof dat men zich kleedde voor het diner en zich uitdoste voor de huisconcerten alsof men in Den Haag naar een concert ging. Je had mensen in De Schaffelaar die verdrietig waren vanwege hun centrale verwarming of hun privébadkamer en die zich tekort gedaan voelden. Er schijnen ook mensen naar Frederiks te hebben geschreven over de ontberingen die ze leden. Zevenhonderd mensen zijn zevenhonderd karakters. Er waren aardige mensen en vervelende mensen. De aardige waren ver in de meerderheid.’

Op 29 september 1943 werden De Schaffelaar en De Biezen, niet geheel onverwachts, ontruimd door de Ordnungspolizei. De beschermheer Schmidt – de man die plan-Frederiks namens Duitsland had toegestaan – was die herfst gestorven en daardoor had zijn tegenstander Rauter meer invloed gekregen. Bovendien was vanuit Berlijn al een keer een verzoek gedaan om de tehuizen te sluiten. Rauter nam de beslissing om de bewoners van de Barneveldse kampen te deporteren naar Bergen-Belsen. Seyss-Inquart, die de belofte aan Frederiks niet voor 100% wilde verbreken, besloot de ‘Barnevelders’ niet naar Bergen-Belsen maar naar Westerbork te vervoeren. De koffers moesten de bewoners in Barneveld achterlaten, zodat deze van een waardevolle inhoud ontdaan konden worden. De bewoners kregen deze, half leeggeroofd, in Westerbork terug. Tijdens de ontruiming van de twee kleine Gelderse kampen ontsnapten 22 mensen. Journalist en oud-gevangene van Westerbork Philip Mechanicus, die de barakken van de Barneveld-groep ook al ‘een vuile beestenstal om van te kotsen’ noemde, schreef in zijn dagboek over de aankomst van de Barneveld-groep in Westerbork:
‘De Barnevelders, de nobelen, die door hun aartsvijanden op een gouden schaaltje waren gezet en die zich in de zoete droom wiegden dat hun niet zo gauw iets gebeuren kon, waren met een slag tot dezelfde paupers verlaagd als het profanum vulgus, dat geen bijzondere verdiensten kon doen gelden en rechtstreeks uit zijn huizen was gesleurd en in de modder gesloten.’

De uitzonderingspositie van de Barnevelders bleef behouden. Kampbewakers waren (net als andere joodse kampbewoners van Westerbork) woedend op de Joodse prominenten omdat ze niet afgevoerd mochten worden naar een vernietigingskamp. De Barnevelders waren namelijk vrijgesteld van deportatie en hoefden daarom op de beruchte dinsdagmorgen niet bang te zijn om op de SS-lijsten te staan. Tenminste, dat was de bedoeling. In september 1944 viel het besluit dat zij naar Theresienstadt gedeporteerd moesten worden. Daar werden de oude veten van de Barnevelders doorgezet. De voormalig bewoners van de Barneveldse kampen werden vrijgesteld van het transport naar Auschwitz, die vlak na hun aankomst in Theresienstadt werd aangekondigd, en in februari 1945 werd een gedeelte van de lijst-Frederiks naar het neutrale Zwitserland gebracht. Dit laatstgenoemde transport had niks met het voorrecht te maken, het criterium voor joden om naar Zwitserland gedeporteerd te worden, was een goede gezondheid, een niet al te lang verblijf in Theresienstadt en niet teveel belangen in Nederland. Het grootste deel van de Barnevelders voldeed hieraan.

Dankzij de bevoorrechte positie overleefde het overgrote deel van de Barneveldgroep de oorlog (zij die de oorlog niet overleefden, zijn allen een natuurlijke dood gestorven). Terug in Nederland ontstonden er voor deze prominenten echter nieuwe problemen, want het aanpassen ging de meesten van hen niet goed af. Terwijl in Nederland bekend werd wat er zich in de concentratiekampen had afgespeeld, kregen van Barneveld-joden een schuldgevoel vanwege hun bevoorrechte positie. Dit schuldgevoel is er bij velen nog tot de dag van vandaag, de vrouwen die aan de interviews van De Groene Amsterdammer hebben hun namen in het artikel laten fingeren.