Joods Tehuis Doetinchem: Villa Bouchina

villabouchina_huis_kleinNadat secretaris-generaal Frederiks zijn plannen in 1942 bij zijn superieuren had bekendgemaakt, begonnen ook collega Jan van Dam en NSB-leider Anton Mussert met het opstellen van een lijst met joden van wie zij vonden dat ze beschermd zouden moeten worden. De personen van de lijsten-Frederiks en -Van Dam belandden in Barneveld, maar de 64 namen die op Mussert’s lijst stonden vermeld, werden ingedeeld in een speciaal Joods Tehuis dat in Doetinchem werd opgericht. Dit tehuis heette officieel ‘Joods Tehuis Doetinchem’, maar werd in de volksmond ‘Villa Bouchina’ genoemd.

Op zaterdag 11 december 1943 kreeg Doetinchem in sociëteit ‘De Vriendschap’ voor het eerst te horen over de nieuwe functie van Villa Bouchina. Eén van de aanwezigen schreef daar in zijn memoires over:
‘Onder de aanwezigen is ook de Doetinchemse Burgervader. Vol verwachting ziet men hem aan, hij is het steeds, die het laatste nieuws weet altijd meer en eerder dan zijn medeleden, dit is natuurlijk, dat brengt zijn edelachtbaar ambt mede en hij is niet karig met het vertellen van dat nieuws, natuurlijk voor zoover hij daarmede zijn ambtsgeheim niet schendt. En ook ditmaal, op dezen zoo gezelligen zaterdagmiddag heeft hij een nieuwtje.
[…]
Doetinchem krijgt er een plukkie inwoners bij, het ziekental zal met ruim zestig vermeerderd worden, alle niet-arisch. Vragen van rechts en van links. Wat voor Joden, welke Joden, wat komen die Joden hier doen? Rustig worden de noodige toelichtingen verstrekt. Het zijn Joden, die in een bevoorrechte positie verkeeren boven hun rasgenoten, zij worden van regeeringswege en van wege “het Gezag” beschermd omdat het menschen zijn, die in vervlogen dagen lid waren van de Nationaal Socialistische Beweging, NSB-ers die bekeerd zijn, danwel vanwege het ras uit de beweging gestoken zijn. Zij zullen in een of meer huizen worden onder gebracht en daar door ambtenaren worden bewaakt en onder toezicht gesteld.’
De schrijver van deze memoires was Dirk Spanjaard. Deze man werd nog dezelfde middag gevraagd om te functioneren als adjunct-directeur van de te openen tehuizen en stemde in. Op 1 januari 1943 werd hij in dienst genomen door directeur Eduard Wolthuis, die de leiding over zowel de tehuizen in Barneveld als het tehuis in Doetinchem had.

Voor het Joods Tehuis Doetinchem werden twee panden gereserveerd: Villa Bouchina, aan de Dominee van Dijkweg 13, en een ander pand aan de Dr. Hubernoodtstraat 4. Villa Bouchina diende oorspronkelijk als pastorie, maar omdat de Gereformeerde Gemeente geen voorganger meer had, de pastor verkeerde in gevangenschap, kwam het leeg te staan. Voor de inrichting van dat pand als tehuis moest de huisraad van de toekomstige bewoners gebruikt worden. Deze meubels konden echter niet binnen korte tijd verwacht worden, en bovendien was er niet genoeg ruimte voor de 64 bedden die bij de nieuwe bewoners hoorden. Zodoende werden er houten tweepersoonskribben aangeschaft. Deze kribben werden opgestapeld, er stonden er twee op elkaar, en de bedden werden verdeeld naar leeftijd: kinderen zouden boven moeten slapen, ouderen onder.
Ook buitenshuis werd er hard gewerkt om de komst van de bevoorrechtte joden aan te kunnen. Omdat de oude keuken niet berust was op 64 personen, werd er een 13.000 gulden kostende uitbouw gemaakt voor een keuken met tien kranen, twee kookketels van iedere 75 liter, et cetera. Van de bewoners werd verlangd dat ze hun eigen servies meenamen, maar de organisatie was vergeten dat er ook keukengerei nodig zou zijn. Omdat het kopen daarvan tegen de regels was, moesten deze spullen geleend worden.

Adjunct-directeur Spanjaard dacht het huis gereed te hebben, toen een Inspecteur van de Volksgezondheid besloot om eens een kijkje te nemen. Het huis werd te vol geacht, de inspecteur vond dat er te weinig bewegingsruimte was, kortom: ook het huis aan de Dr Hubernoodtstraat moest in gebruik genomen worden. Dat pand werd razendsnel gepoetst en gereedgemaakt, maar diezelfde avond gaf directeur Wolthuis te kennen dat het verwachtte aantal bewoners was gedaald naar hoogstens 30. Dat zou betekenen dat Villa Bouchina wel genoeg ruimte zou bieden, en dus werd het huis aan de Dr. Hubernoodtstraat tòch buiten beschouwing gelaten. De plotselinge lage opkomst had te maken met het feit dat verblijf in Villa Bouchina niet meer verplicht was gesteld, en dat de mensen die het pand zouden betreden vanwege een gemengd huwelijk, werden uitgesloten. Niet veel later bleek dat er nog slechts acht ‘Mussert-joden’ over waren, te weten:
– Dhr. Jo Spier;
– Mevr. Tineke Spier-van Raalte;
– Zoon Peter Spier (15 jaar oud);
– Dochter Celine Spier (13 jaar oud);
– Zoon Tom Spier (11 jaar oud);
– Mevr. Simcha Selina Ancona;
– Dhr. Abraham Spetter;
– Dhr. Paul Drukker

Op 27 februari werden de bewoners verwelkomd in het opgeknapte, iets leeggeruimde huis. Dirk Spanjaard schreef over de komst:
De volgorde waarin de gasten verschijnen doet niet ter zake, na eenige oogenblikken zijn achtereenvolgens verschenen: Mejuffrouw S.S. ANCONA, de Heer P. DRUKKER en de heer A. SPETTER. Het is natuurlijk onmogelijk dadelijk een indruk te krijgen van de aangekomenen. Mej. Ancona maakt een vlotte, bij de handte indruk, de heer Drukker lijkt meer goedig doch eenigermate nerveus. Over de heer Spetter zoo dadelijk meer.
[…]
Thans eerst een en ander over het entree van den Heer Spetter. Deze blijkt Rotterdamsch bootwerker van zijn beroep te zijn. Al dadelijk oppert hij bezwaren tegen den afstand van de volgens hem zuur verdiende en met moeite gespaarde duiten. Het bedrag dat hij kan en moet afdragen is dan ook maar gering. Toen de gegevens waren verstrekt en verwerkt meende hij nog wat naar voren te moeten brengen en haalde daarvoor een eenigszins officieel uitziende papier te voorschijn. Het bleek een circulaire van het Departement van Binnenlandsche Zaken te zijn. De inhoud scheen hij van minder belang te achten, het ging hem over een induiding in de linkerbovenhoek, waar gedrukt stond: “Vrij van tewerkstelling”. Deze woorden hadden zijn verontwaardiging teweeg gebracht. Met de duim deze worden herhaaldelijk aanwijzend gaf hij zijn verontwaardiging daarover te kennen met de mededeling: “Maar dat neem ik niet, dat neem ik niet, ik wil werken, anders word ik gek.”‘
Na verwoede pogingen om de heer Spetter de betekenis van deze woorden uit te leggen, werd de man geboden om maar even te kijken of de kok nog een klusje voor hem had. Later die dag kwamen ook mevrouw Spier en haar drie kinderen opdagen. Jo Spier, een op dat moment beroemde illustrator, zou later komen, omdat hij vanwege een spotprent over Hitler nog gevangenzat in Westerbork.

De bewoners van Villa Bouchina moesten al het werk in het pand zelf verrichten: Dirk Spanjaard heeft de opdracht gekregen dat er geen enkele Christen voor de joodse bewoners mag werken, met uitzondering van een kok (dhr. De Ru). Er werkte wel een conciërge in Villa Bouchina, Jan Brugman, die bedoeld was om bepaalde huishoudelijke taken uit te voeren, maar omdat de hierboven genoemde Abraham Spetter zo gedreven was om te werken, bleef er voor Brugman weinig fysiek werk over. Hij verwerd een soort administratief medewerker. Meneer De Ru, de kok, bleef ook niet de gehele periode: omdat er maar acht personen in Villa Bouchina zaten, werd hij overgeplaatst naar De Schaffelaar in Barneveld. Zijn taken werden min of meer overgenomen door bewoonster Tineke Spier.

Op 1 april 1943 werd er een negende bewoonster in Villa Bouchina geïnterneerd. Kaatje van Lunenburg-Groen was getrouwd met een arische Nederlander, die met het nazistische Nederlandsch Legioen aan het Oostfront vocht. Een gezinsuitbreiding voor het stel was op komst. Kaatje van Lunenburg veroorzaakte nieuwe spanningen in het Joods Tehuis, omdat ze graag in het bijzijn van de anderen Duitse strijdliederen zong, naar eigen zeggen ‘voor mijn man’. De nieuwkomer voelde die spanningen kennelijk aan, want ze vroeg al op 10 april officieel toestemming om weer te vertrekken. Een reactie liet echter op zich wachten, omdat de Duitsers op dat moment overwogen om iedereen uit Villa Bouchina te halen en naar een concentratiekamp te sturen. Op 17 april ontving Spanjaard een telegram van de Joodsche Raad te Amsterdam, waarin stond geschreven dat de heren Spier, Spetter en Drukker en mevrouw Ancona, zich zo snel mogelijk moesten melden bij de Zentrallstelle für Judische Auswanderung, die ook in Amsterdam gevestigd was. Terwijl de vier genoemden de trein pakten naar Amsterdam, werd Spanjaard gebeld door de joodse meneer Rimini, die eerder wegens ziekte van één van zijn kinderen uitstel had gekregen voor zijn internatie in Villa Bouchina, en kreeg hij te horen waarom vier van de bewoners naar Amsterdam moesten: Het Joods Tehuis Doetinchem zou worden geëvacueerd, de bewoners zouden naar het Tsjechische concentratiekamp Theresienstadt worden getransporteerd. Die avond kwamen Spier, Spetter, Drukker en Ancona thuis met de officiële bevestiging van het bericht: ‘Woensdag 21 April 1943 zich melden in de schouwburg te Amsterdam des voormiddags om 8 uur’. De dinsdagavond van tevoren vertrokken allen per trein naar Amsterdam, om daar vervolgens met de sleperswagen van dhr. Muiderman, die normaal gesproken alleen kopij ophaalde, naar de schouwburg te vertrekken.

De bewoners werden eerst enige tijd in kamp Westerbork ondergebracht, maar na enkele dagen naar Theresienstadt gedeporteerd. Officieel is Theresienstadt ook een soort beschermingskamp, waar mensen zitten die bijvoorbeeld voor de Tweede Wereldoorlog een onderscheiding voor militaire verdiensten hebben gekregen. De negen mensen uit Doetinchem werden bovendien extra beschermd, en Jo Spier verleende enkele artistieke diensten aan de Duitsers die hem niet populair maakten bij zijn medegevangenen, maar die er wel voor zorgden dat hij veiliger zat dan anderen. Toch werden Simcha Ancona en Abraham Spetter nog eens gedeporteerd naar een ander concentratiekamp in Midden-Europa en overleden zij daar. Paul Drukker stierf bovendien na een deportatie op 9 maart 1944 in Auschwitz.